Zuurstoftoediening tijdens de palliatieve fase,

een verlichting of een verzuchting?

 

Het gevoel van tekort te komen aan lucht, het gevoel te hebben dat elke hap naar adem een goede hap moet zijn, het gevoel te hebben dat dit de laatste hap naar adem kan zijn. Een beangstigend en benauwend gevoel, zowel voor de patiënt als voor de omgeving. Dit in combinatie met mogelijke verwardheid, zweten, coördinatiestoornissen, dubbelzien, hoofdpijn en duizeligheid ten gevolge van een tekort aan zuurstof in het bloed. Echt comfort kunnen we dit niet noemen, hetgene wat wel centraal hoort te staan in de zorg tijdens de palliatieve en terminale fase.

 

Voorwaarden zuurstoftoediening

Zuurstoftoediening kan voor sommigen deze symptomen verlichten, maar enkel indien er bovenop de klachten sprake is van aantoonbare hypoxemie (tekort aan zuurstof in het bloed) en de behandeling met zuurstof effectief blijkt.

De symptomen voor hypoxemie zijn zeer uiteenlopend van hoofdpijn en duizeligheid tot spraakstoornissen en zweten. Het is dus moeilijk om éen van deze symptomen als indicator te gebruiken om hypoxemie vast te stellen. Hypoxemie kan bevestigd worden door twee diagnostische tests, namelijk een arteriële bloedgasanalyse en een pulsoximetrie. Bij een arteriële bloedgasanalyse van het zuurstofgehalte wordt er bloed rechtstreeks uit een arterie afgenomen door deze aan te prikken, wat als pijnlijk en oncomfortabel kan worden ervaren. Een pulsoximetrie is een niet-invasieve procedure. Deze pijnloze handeling is wel minder precies, zeker bij metingen onder de 75%. Het is dus belangrijk om telkens een afweging tussen beide methodes te maken.

Zuurstoftoediening is niet effectief indien er sprake is van een rechts-links shunt waardoor het bloed niet door de longregio’s stroomt waar uitwisseling van zuurstof plaats vindt. Ook bij een laag hemoglobinegehalte zal de extra zuurstoftoediening weinig effect hebben doordat deze niet kan worden opgenomen door het bloed.

 

Ervaring van zuurstoftoediening

Naast de twee voorwaarden voor het opstarten van zuurstof dient er rekening gehouden worden met volgende aspecten.

Als eerste staat de beleving van de patiënt en zijn omgeving centraal, hetgeen prioritair is voor een kwaliteitsvolle palliatieve zorg. Het is voor de omgeving vaak éen van de moeilijkste dingen om te beseffen dat wanneer er ‘niets’ meer kan gedaan worden, er juist nog heel veel te doen valt. Het toedienen van zuurstof kan het machteloze gevoel voor sommigen doen wegnemen. Ook indien zuurstoftoediening niet erg effectief blijkt zoals bij anemie of massieve longtumoren kan het een placebo-effect uitoefenen resulterend in minder angst, die bijna in alle gevallen aanwezig is in geval van dyspnoe, en een minder oppervlakkige ademhaling (Booth et al., 2003).

Als tweede dient er een weloverwogen keuze gemaakt te worden omtrent de methode van zuurstoftoediening. De meest gebruikte methodes van zuurstoftoediening zijn een masker en een neusbril, deze zijn jammer genoeg ook niet altijd even comfortabel. Het masker kan irritatie aan de ogen veroorzaken, decubitiswonden op de wangen en neus door langdurige druk, een beklemmend gevoel en belemmering bij het eten en drinken.

De minder opzichtige neusbril, waarbij maximum zes liter zuurstof per minuut toegediend kan worden wordt door meer patiënten als aangenaam ervaren maar ook hier is er aandacht nodig voor decubitiswondes ter hoogte van oren en onder of in de neus en uitdroging van lippen, mond en neus. Bij beide methodes worden bij oplopende patiënten de activiteiten beperkt.

 

Besluit

Prioriteit is een niet-medicamenteuze behandeling zoals psychologische begeleiding, ontspanningsoefeningen, een goed verluchte kamer en een rechtopzittende houding.

Vervolgens kan er gekeken worden voor het opstarten van medicamenteuze behandeling in de vorm van morfine (verzwakt de prikkels waardoor gevoel van dyspnoe, tachypnoe, oppervlakkige ademhaling en hoestreflex worden onderdrukt), anxiolytica of luchtwergverwijderaars.

Indien de patiënt nog steeds klachten heeft van kortademigheid of hypoxemie ondanks niet-medicamenteuze behandeling en medicamenteuze behandeling kan er gekeken worden naar het eventuele opstarten van zuurstoftoediening.

 

Bij de overweging dient er rekening gehouden te worden met verschillende aspecten:

  • Enkel indien er aantoonbare hypoxemie is zal zuurstoftoediening in theorie een oplossing kunnen bieden voor de klachten.
  • Bij bepaalde pathologieën blijkt zuurstoftoediening niet effectief, denk hierbij aan anemie of een massieve longtumor waardoor de uitwisseling van zuurstof niet kan plaatsvinden.
  • Hou rekening met de psychologische aspecten op patiënt en omgeving.
  • Zorg voor de meest comfortabele methode van zuurstoftoediening, met name de neusbril. Indien de patiënt meer dan 6liter zuurstof per minuut krijgt kan deze verlaagd worden, dit moet gradueel en emt medicamenteuze hulp (in de vorm van morfine) gebeuren.
  • Ten slotte: het opstarten is enkel aanbevolen indien de klachten verlicht worden voor de patiënt, dit door de patiënt hier zelf over de bevragen of te vertrouwen op de eigen klinische kijk.

Een nota die hierbij nog gemaakt moet worden is dat het opstarten van zuurstoftoediening na het inzetten van de stervensfase, bijvoorbeeld bij het inzetten van apnoes, nutteloos is en eventueel onnodige verlenging van het stervensproces op een oncomfortabele manier veroorzaken (Koelewijn & Wanrooij, 2009).

 

 

 

BRONNEN:

 

Adriaens, V.I.J. & Van der Heide, A. (2015). Zuurstoftoediening in acute situaties. Geraadpleegd op 17 oktober, 2016, van http://geneesmiddelenbulletin.com/artikel/zuurstoftoediening-in-acute-situaties/.

Booth et al., (2003). The use of oxygen in the palliation of breathlessness. A report of the expert working group of the scientific committee of the association of palliative medicine. Geraadpleegd op 18 oktober, 2016, van http://www.resmedjournal.com/article/S0954-6111(03)00300-7/pdf

Celis, G. & Lodewijckx, C., (z.j.). Zuurstofbronnen en wijzen van zuurstoftoediening. Geraadpleegd op 18 oktober, 2016, van http://www.bvpv-sbip.be/pdf%20bestanden/congres_2006_pres_nl/tekst/geert_fatima.pdf

Huysmans, G. & Bogaerts, P. (2010). Dyspnoe in de palliatieve zorg – een richtlijn. Geraadpleegd op 17 okober, 2016, van http://www.pallialine.be/template.asp?f=rl_dyspnoe.htm#page=page-1

Koelewijn, M. & Wanrooij, B.S., (2009). Verlichting van dyspnoe in de palliatieve fase. Geraadpleegd op 17 oktober, 2016, van https://www.henw.org/archief/volledig/id1998-verlichting-van-dyspnoe-in-de-palliatieve-fase.html

Van Zuylen, L., Van Veluw, H. & Van Esch, J. (2009). Zorg in de stervensfase – een richtlijn. Geraadpleegd op 18 oktober, 2016, van http://www.oncoline.nl/uploaded/docs/Zorg%20in%20de%20stervensfase/RichtlijnStervensfase2009_0211%20(commentaarfase).pdf

 

 

THINK4NURSES VZW 2018